Weblog Vrije Gemeente Amsterdam

10 september 2007

Openingslezing seizoen 2007/2008 door Alain Sadon

Filed under: Alain Sadon — Alain Sadon @ 3:55 pm

Hartelijk welkom aanwezigen.

Ik sta hier natuurlijk in de functie van voorzitter van de Vrije Gemeente.  Daarom wil ik graag van deze gelegenheid gebruik maken iets te vertellen over alle nieuwe ontwikkelingen binnen onze vereniging.  Ik ben echter ook Informatica-Ir. Ik volg de ontwikkelingen op het gebied van de ICT op de voet, publiceer daarover en adviseer bedrijven en organisaties hoe ze op die ontwikkelingen kunnen inspelen. Omdat ik veel parallellen zie tussen wat er op het Internet allemaal plaatsvindt, en hoe de VG zich de laatste jaren ontwikkelt, leek het me interessant in mijn lezing de twee te combineren. Volgens mij kunnen we veel leren van de successtory die het Internet toch inmiddels wel geworden is. Mn. omdat ‘communities’ op het Internet geen vies woord meer is, integendeel.

De zoekmachine van Google speelt een centrale rol in de overweldigende ontwikkelingen op het Internet. Als organisatie wil je namelijk  (1) gevonden worden (op het Internet).  Maar er is meer: als je eenmaal gevonden wordt wil je dat (2) mensen bij je betrokken gaan worden. Dit creëert groei.

Deze zaken (gevonden worden, betrokkenheid creëren en groei) zijn uitdagingen waar we bij de VG ook precies mee te maken hebben. Ik heb het gevoel doordat ik zo intensief nadenk over de Internet-ontwikkelingen, ik a.h.w. een kijkje in de keuken van de toekomst heb, en zie daar dus parallellen met wat ik hier binnen de VG zie plaatsvinden.

Vanwege die parallellen zal ik in het vervolg van mijn betoog steeds heen en weer laveren tussen de ontwikkelingen op het gebied van het Internet en de ontwikkelingen binnen de VG.

Het zal duidelijk zijn dat het gebruik van het Internet enorm aan het groeien is.

In NL is Internet nu al geduchte concurrent voor de TV. Jongeren besteden al veel meer tijd aan het Internet dan aan TV. TV wordt wel de ‘oude media’ genoemd, ‘Internet’ de nieuwe. Wat is het verschil? Het belangrijkste is volgens mij dat de passieve kijker is vervangen door iemand die betrokken is en meedoet. De TV biedt een podium voor een kleine, geselecteerde, groep. De rest consumeert. Op het Internet kan iedereen zijn eigen podium creëren, en men doet dat ook massaal. En het interessante is dat dát wat goed of interessant is, ontdekt wordt. Google heeft daar een manier voor bedacht, en precies die manier maakt dat ze nu één van de grootste en snelstgroeiende bedrijven ter wereld zijn. Je ziet dat bedrijven en organisaties die goede Internetpodia weten te creëren  een enorme vlucht maken. En organisaties die dat niet doen, achterop beginnen te raken.

De VG is ook een podium,  een podium  voor interessante ideeën, inzichten en ontwikkelingen op het gebied van religie en spiritualiteit. En ook bij de VG zitten we in een verandering van een soort TV-situatie (lezingen en cursussen door een klein groepje wijze mensen bijgewoond door passieve kijkers) naar een Internetsituatie (een gemeenschap of –in Internet jargon- community van actieve, betrokken mensen). En ook bij ons speelt de vraag hoe we gevonden worden, bekendheid krijgen, kunnen groeien.

Verder is het interessant te zien dat juist door al die internetcommunities de weerstand tegen ‘de aansluiting bij een gemeenschap’ als bijvoorbeeld de onze is verminderd. Maar we doen dat alleen als we er iets van onszelf in kwijt kunnen, of iets van onszelf kunnen ontwikkelen. Het vormen van gemeenschappen is tegenwoordig nog wel iets heel vluchtigs. Dat zie je op het Internet ook. Als het voor onszelf niets meer oplevert, zijn we weg.

Google heeft een slim dingetje gemaakt, waardoor mensen opeens massaal in beweging beginnen te komen. Hoe komt dat nou, wat doet dat dingetje? Dat dingetje waardeert het als je jezelf laat zien. Dat kan via teksten, foto’s, films, muziek, etc.  Allemaal zaken die we hier ook leuk vinden. Hoe meer en hoe beter je jezelf profileert, hoe hoger de waardering.

Ik heb ontdekt dat in de wijze van profileren een belangrijke sleutel ligt. Allereerst is autoriteit fundamenteel. Maar er is meer. Dat heeft te maken met een soort eerlijkheid. Mensen haken bijvoorbeeld snel af als dat wat je laat zien niet integer is of enorm opgeklopt. Mensen doorprikken dat al na twee zinnen.  Eerlijke verhalen (foto’s, video, etc.) trekken de aandacht. Een eerlijk verhaal is niet een verhaal waarbij je probeert over te brengen dat je alles al weet. Juist dié verhalen die (naast een zekere kwaliteit, bv geen taalfouten…) een bepaalde eerlijkheid en kwetsbaarheid  tonen worden gewaardeerd. Dus eigenlijk worden die mensen die –naast hun kennis- ook hun vragen en onzekerheden laten zien, gewaardeerd.

Sterker, en ook daar neemt het Internet een enorme vlucht, mensen gaan elkaar dan helpen. Blijkbaar is dat onze natuur. In toenemende mate ontwikkelen bedrijven hun producten met hulp van Internetgebruikers, die soms gewoon voor de lol maar soms ook betaald gaan mee-ontwikkelen. Consumenten worden ook producenten, prosumers genoemd. Het verschil tussen consumenten en producenten is aan het vervagen.

Ik denk dat dit principe heel goed aansluit bij de natuur van de Vrije Gemeente. We bouwen hier veel kennis en ervaring (dus autoriteit) op, die delen we met de wereld, en willen onze richting kunnen laten bepalen door onze vragen en interesses. Niet door één of andere dogma, zoals we immers in onze doelstelling hebben vastgelegd. De natuur van de VG lijkt aan te sluiten bij de tijdgeest.

Maar groei zal er alleen gaan ontstaan als we inhoudelijk ook iets te bieden hebben. Ik meen echter dat we met de VG een ongelofelijk interessant gebied te pakken hebben. Doordat de kerk voor de meeste mensen geen rol meer in hun leven speelt, blijven we zitten met onze religieuze, existentiële of levensbeschouwelijke vragen. In deze hectische tijd misschien wel meer dan ooit.

Ik denk dat vrije religie een tegenwicht kan bieden aan de in mijn beleving doorgeslagen waardering van de ratio. Dit moet ik even toelichten, omdat het voor mij eigenlijk ook een ontdekking is. André Klukhuhn heeft me via mijn vakantieboek “De geschiedenis van het denken” van het volgende weten te overtuigen:

Er is niemand, maar ook geen wetenscháppelijke discipline, die kan stellen dat hij eruit is, hét antwoord heeft. Het wordt zelfs steeds duidelijker dat we er nooit helemaal uit zullen komen. Achter iedere antwoord komt namelijk weer een volgende vraag. Tot in het oneindige. In de natuurwetenschappen, bijvoorbeeld, kunnen we inmiddels in het ongelofelijk kleine zowel als het onwaarschijnlijk grote kijken. Maar steeds blijft de vraag wat er daar weer achter zit.

En toch moeten we met die fundamentele onzekerheden leven. Hoe doe je dat? Dat is volgens mij de kernvraag van religie. Namelijk het formuleren van strikt persoonlijke antwoorden, hoe absurd soms ook. Antwoorden die niet bewijsbaar zijn, maar toch heel veel betekenis hebben voor onszelf. Via religie, maar ook via kunst en poëzie claimt het subject zíjn deel van de waarheid. Mijn ontdekking is dat de waarheid zoals het subject die ervaart niet minder waar is dan de objectieve waarheid, het is echter een compleet ander domein van de waarheid. Je kan ze niet met elkaar vergelijken.

Ik ben de laatste die de wetenschappelijke benadering wil aanvallen, denk daarentegen dat het ons heel veel heeft gebracht en nog zal brengen, maar begin me te realiseren dat er twee manieren van kennen zijn. De ene manier van kennen is de manier waarbij je jezelf a.h.w. buiten de werkelijkheid plaatst om vanuit dat perspectief vervolgens iets over die werkelijkheid te zeggen. Dat is de objectieve manier.

De andere manier is de manier waarbij je je realiseert onderdeel van die werkelijkheid te zijn en vanuit dat perspectief dan naar de werkelijkheid kijkt. Dat is de subjectieve manier. Dan kom je bij de kunst, de poëzie, en de religie. Althans, die vorm van religie waarbij we onszelf impliceren in de grote vragen des levens. Natuurlijk kan je ook van buitenaf, objectief dus, naar religie kijken, en dat doen we hier ook (zoals bijvoorbeeld in het college wereldreligies), maar dan kom je automatisch in een meer historische of analytische benadering.

Klukhuhn haalt in zijn boek vele filosofen en schrijvers aan als medestanders voor die idee van de twee strikt gescheiden manieren van kennen. Ik noem er drie.

Van Marcel Proust las ik bijvoorbeeld: “We denken en benoemen in de ene wereld, we voelen in een andere, en je kunt de twee op elkaar afstemmen, maar niet de tussenruimte dempen.”

Henri-Louis Bergson schrijft: “de wetenschap en de intuïtieve metafysica zijn even precies en zeker. Allebei raken ze aan de werkelijkheid zelf, maar ieder heeft slechts toegang tot de helft ervan.”

Robert Musil stelt het met wat meer kritiek: “door de wetenschappelijke benadering hebben we weliswaar werkelijkheid gewonnen, maar droom verloren.”

Ik haatte het vroeger altijd als mijn moeder weer zei dat “iedereen zijn eigen waarheid heeft”. Dan waren we namelijk uitgepraat. Toch begin ik nu meer te zien dat er misschien wel wat in zit…

Maar hoe ga we om met die twee verschillende kengebieden? Objectief is duidelijk, daar kunnen we fijn over discussiëren en debatteren. Maar hoe om te gaan met de subjectieve waarheid?

Die subjectieve waarheid, zie ik nu, is precies dát gebied waarvan ik me realiseer dat ik daar fundamenteel alleen in sta. Het is míjn ervaring van de werkelijkheid. Aan één kant is die eenzaamheid vervelend, maar aan de andere kant, enorm bevrijdend. Mijn persoonlijke waarheid is voor mij net zo veel waard als de objectieve waarheid.

Het wordt alleen vervelend, voor mezelf maar mn. ook naar anderen, als ik niet kan zien dat mijn subjectieve waarheid subjectief is, en ik dat naar anderen ga proberen te objectiveren. Het is geweldig als iemand de openheid kan opbrengen voor mijn ervaring, of daar misschien zelfs iets van herkent, maar helemaal samenvallen zullen onze subjectieve waarheden per definitie nooit. Het bevrijdende zit hem in de realisatie dat dat juist ook niet hoeft!

Ik zag laatst op YouTube (grote website waar mensen hun video-opnames kunnen plaatsen) tijdens een lezing, georganiseerd door Google met als titel “Zeitgeist 2007”, een Engels politicus (David Miliband) het volgende opmerken. Het zijn wat Amerikaanse, kort door de bocht-kwalificiaties maar toch wel interessant met het oog op het punt dat ik wil maken. Hij zei: na de 2e wereldoorlog hadden we een periode van “we need” (huizen, gezondheidszorg, welvaart, etc., er was van alles aan opbouw nodig). Van de 60-er t/m 90-er jaren noemde hij het de periode van “we want” (dwingender, meer in de zin van “recht hebben op”. Consumptiemaatschappij, verzorgingsmaatschappij.)

Nu zitten we volgens hem in de “I can”-periode, in de zin van “zelf beslissingen kunnen nemen”. Er is meer besef ontstaan dat het leven van nature onzekerder, gevaarlijker ook, is. We horen steeds meer over dreigingen van milieu en terreur. Ook willen we niet meer betutteld worden door de overheid (denk aan Pim Fortuyn en de -wat spottend genoemd werd- linkse kerk, nog maar een paar jaar terug). We zijn meer op onszelf teruggeworpen maar van daaruit blijken we verrassend creatief.  Mijn vader heeft nog 40 jaar bij één bedrijf gewerkt, dat bestaat bijna niet meer. Nu beginnen we steeds vaker een eigen bedrijfje en regelen zelf de zaken eromheen zelf wel.

Ik denk dat we bij de VG ook een omwenteling aan het maken zijn van een “we want” naar een “I can”-paradigma. Daar kan ik –heel concreet- een paar dingen over zeggen:
1) Je ziet langzaam maar zeker dat steeds meer leden en bezoekers zelf met ideeën komen omtrent de rol die ze kunnen spelen voor de VG. Om dit op te vangen hebben we nu ook een structuur opgezet om dergelijke initiatieven te begeleiden. Mn. de programmaraad vervult die rol. Die beoordeelt in hoeverre een idee binnen de doelstelling van de vereniging valt en hoe e.e.a. zó begeleid kan worden dat het ook een kans van slagen heeft.
 
2) We stimuleren het “I can” door juist ook onze eigen leden het podium op te krijgen. Dat kan zijn als spreker op een zondaglezing, het geven van een cursus, het uitspreken van een persoonlijk credo op de vrije vrijdagavond (onze members-only avond) of via de weblog.

3) Het “I can” hebben we ook als bestuur steeds in ons achterhoofd op het moment dat we mensen nodig hebben om iets specifieks binnen de VG voor elkaar te krijgen. We doen dan geen algemene oproep, maar denken goed na wie dat in onze optiek het beste zou kunnen. In eerste instantie zoeken we binnen de gemeenschap van leden, maar als we daar de betreffende expertise niet kunnen vinden, dan kijken we tegenwoordig zelfs daarbuiten. Dan stappen we op die persoon af om te vragen of hij/zij dat voor ons wil doen. Mensen vinden het altijd een eer gevraagd te worden. We maken het niet vaak mee, dat deze aanpak niet slaagt.

4) Ook zie ik de “I can” in het feit dat ik steeds vaker verwijs naar de leden van de VG als mij de vraag gesteld wordt waar de VG nu precies voor staat: kijk naar hen en dan zie je de VG. Hiermee voorkomen we overigens ook meteen de typisch protestantse val van het formeel definiëren van wie we zijn. Als je het namelijk gaat formuleren, dan krijg je voor- en tegenstanders en uiteindelijk een breuk, waardoor er weer een nieuwe gemeente ontstaat. En dan zijn we nog verder van elkaar verwijderd. “Kijk naar onze leden en dan zie je de VG”. Waar deze aanpak gaat uitkomen is daarom ook zeer onbekend. Maar wel heel dynamisch, subtiel en echt. Ook het doel van het Internet is niet gedefinieerd, maar de dynamiek is onbeschrijfelijk.

Ter volledigheid nog het volgende.

Met het “I can” zijn we er nog niet. Mensen hebben weliswaar het gevoel meer macht te krijgen over hun persoonlijke situatie, maar minder macht over collectieve zaken. Uit onderzoeken blijkt dat er optimisme is over het persoonlijk leven maar pessimisme over de meer globale issues. Denk maar weer aan het milieu en de veiligheid. Er heerst een akelig gevoel dat zich iets aan het voltrekken is waar niemand meer grip op heeft, dat de effecten van ons menselijk handelen zich zelfs tegen ons aan het keren zijn.

Ik kom bijvoorbeeld  steeds vaker mensen tegen met een nogal apocalyptisch wereldbeeld. Dan hoor je dat ons economisch/financiële systeem helemaal gaat instorten, virussen en bacteriën de wereldbevolking zullen decimeren, terroristen kernwapens in handen krijgen en ze ook zullen gebruiken, ijskappen zullen smelten waardoor de zeespiegel meters zal stijgen en enorme lappen land zullen worden weggevaagd, etc. etc. En je moet wel een rasoptimist zijn om hier op de één of andere manier geen kern van waarheid in te zien.

Ik vermoed dat de stap van een “I can”naar een “we can” de grote uitdaging is waar de wereld voor staat. Of we dat nu leuk vinden of niet, op de één of andere manier zullen we moeten samenkomen, om iets van de enorme problemen die op ons afkomen het hoofd te kunnen bieden. Er moet iets van een gezamenlijke spirit gaan ontstaan. Ik heb geen idee of dat gaat lukken, heb er eigenlijk een hard hoofd in, maar zie de VG stiekum toch heel groot als laboratorium voor de ontwikkeling van een “we can”, gesteund ook door de pijler ‘ethiek’ in de doelstelling ervan. En zoals ik probeer aan te geven, zie ik het mensbeeld dat via het Internet tot mij komt, als een hoopvol lichtje daarbij.

Dit deel van het verhaal afsluitende denk ik dat ik heb geprobeerd te beargumenteren dat de tijd helemaal rijp lijkt voor een VG. We hebben kennis, vragen die veel mensen ook hebben, een gemeenschap van betrokken mensen en geen belemmeringen, omdat we immers ‘ondogmatisch’ zijn.

Maar in hoeverre zijn we werkelijk vrij van dogma’s? Dus in hoeverre zijn we werkelijk in staat onze religieuze, spirituele of levensbeschouwelijke vragen en interesses bepalend te laten zijn voor de ontwikkeling van de VG?

Op mijn weblog heb ik bij de omschrijving van de VG opgeschreven: “principieel niet-sektarisch”, als uitleg van het “niet-dogmatische” in de doelstelling van onze vereniging.  Dat is een bijzonder experiment, want spirituele of religieuze gemeenschappen krijgen al snel een sektarisch karakter: een leider/goeroe, regels, wetten, radicaliteit, etc. Ik heb het zelf in mijn verleden meegemaakt. Dat hebben we hier allemaal niet.

Maar hoe niet-sektarisch zijn we nu eigenlijk? Laatst realiseerde ik me opeens dat wij hier eigenlijk ook heel radicaal zijn. Namelijk precies in dat niet-dogmatisch zijn! Daar voelen we ons heel trots op en wanen ons misschien zelfs superieur t.a.v. anderen die op een dogmatische manier met religie/spiritualiteit bezig zijn. Dat is eigenlijk een beetje voor mensen die zelf niet goed kunnen nadenken. Zo bezien heeft de VG ook wel wat sektarische trekjes.

Een gevaar van dit “radicaal ondogmatische” is dat het leidt tot oppervlakkigheid. Je kan je dan namelijk eigenlijk nergens meer écht in verdiepen, want alles wat je een beetje serieus begint te nemen kan al snel als dogma worden opgevat. [Dit is volgens mij precies het probleem waar christelijk vrijzinnige organisaties mee worstelen. Als ze het ‘christelijke’ loslaten is er het gevaar dat er helemaal niets meer overblijft. Maar toch hebben wij dat wel gedaan.] Hoe kan het niet-dogmatische dan in positieve zin worden uitgelegd?

Ik denk dat het ondogmatische in niet-radicale zin een openheid zou moeten betekenen voor verschillende dogma’s. Ondogmatisch op zichzelf ís niets.  Ik denk dat wij hier allemaal dogmatisch zijn, d.w.z. eigen dogma’s hebben. Precies in lijn met wat ik hiervoor heb gesteld over het subjectieve. We hebben onze eigen waarheden, en dat is maar goed ook. De één gelooft dat je moet leven vanuit het hart, de ander meent dat God niet bestaat, en weer iemand anders stelt dat waarheid in de stilte gevonden moet worden. Enzovoorts, enzovoorts.

Eigenlijk zeggen we hier niet dat we ondogmatisch zijn, maar dat alle dogma’s zijn toegestaan. De VG als vereniging is ondogmatisch, wij persoonlijk echter zijn dogmatisch. Sterker: ik denk dat de VG er juist voor mensen moet zijn hun dogma’s verder te verdiepen, ontwikkelen of soms moet helpen oude dogma’s te vervangen door nieuwe, frisse.

Dan kom ik nu bij dit nieuwe seizoen. Onze aanpak is geweest: laten we eens een dogma of een aantal dogma’s bij de hoorns vatten, ons daar eens echt in gaan verdiepen. Dat is dus de tegenovergestelde benadering van de radicaal-ondogmatische aanpak, waar de oppervlakkigheid regeert. Ik ben er van overtuigd dat het verdiepen in goed doordachte of doorvoelde dogma’s ons kan helpen onze individuele dogma’s aan te scherpen, bij te stellen, te verdiepen.

Dit semester heeft onze programmaraad gekozen voor ‘mystiek’. Ik begin er langzaam maar zeker van overtuigd te raken dat dit een prachtig thema is voor de VG. Ook omdat het verbonden wordt met het ‘nu’. Omdat ik ook niet ál te veel weet van mystiek heb ik de hele dikke encyclopedie van de mystiek gekocht, geschreven door een rits aan hoogleraren. In een artikel daarin van prof. Steggink en nog vele andere hoogleraren wordt gespeculeerd over het antwoord op de vraag waarom mystiek zich de laatste eeuw mag verheugen in een opmerkelijk grote belangstelling. Dan komt er van alles langs: het persoonlijke karakter van mystiek, de openheid voor ervaringen, het grensoverschrijdend karakter (over landen en religies heen, brugfunctie?) en bovendien is er de afgelopen eeuw veel over mystiek gepubliceerd (dat zal behulpzaam zijn bij de vormgeving van het ‘nu’). 

Volgens de encyclopedie heeft mystiek te maken met ervaringsmatige kennis van God, dit dus in tegenstelling tot theologische of wetenschappelijke kennis van God. We gaan bij de VG het komend semester dus God weer eens even terughalen. Als dat niet ondogmatisch is!

Het komend semester laten we verschillende mystici de revue passeren die ons via hun teksten daar wellicht iets van kunnen laten ervaren. Het semester begint met een inleidend college mystiek door Rob Pauls, werkzaam bij de faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA. Vorig jaar gaf hij hier het college Christendom waar elke bijeenkomst meer mensen zaten dan de bijeenkomst ervoor. Het is een zeer boeiende persoon en spreker.

Ik kan u allen van harte aanraden u in ieder geval daarvoor in te schrijven. Dan kunt van daaruit bekijken of –en zo ja- voor welke avonden u zich vervolgens inschrijft. Per avond wordt dan een mysticus behandeld. We hebben voor iedere avond een deskundige weten aan te trekken, als het kon uit eigen kring, maar voor het merendeel van daarbuiten.

De maandagen hebben we gereserveerd voor –wat we genoemd hebben- ‘mystiek theoretisch’ en de vrijdagen voor ‘mystiek en kunst’. Dit een beetje in lijn met wat ik hiervoor aangaf als de twee manieren van kennen van de werkelijkheid, het objectieve en het subjectieve.

Dit verhaal afsluitende zult u begrijpen dat ik hoop dat u met ons mee gaat doen. Dat we elkaar niet aan de oppervlakte, maar meer in de diepte, beter gaan leren kennen. Ik hoop ook dat u zich betrokken gaat voelen bij de VG. Maar let dan wel op, u kunt door ons voor iets gevraagd worden!

Dank u wel voor uw aandacht.

Advertenties

2 september 2007

De seculident

Filed under: Alain Sadon — Alain Sadon @ 5:19 pm

michaelangelo_big.jpg
The Creation of Adam. Michelangelo. 1508-1512

Een breed spectrum van mensen voelt zich tot de Vrije Gemeente aangetrokken. Zoveel was altijd wel duidelijk, maar de laatste tijd ben ik twee uitersten aan dit spectrum gaan waarnemen. Aan de ene kant van het spectrum hebben we de mensen waar onze vice-voorzitter Jan Oegema zich hard voor maakt en regelmatig in de Trouw over publiceert: de kerkverlaters. Mensen die, emotioneel en cultureel vaak diepgeworteld in het christendom, met pijn in het hart en met goed verstand niet meer kunnen geloven wat dominee of priester hen voorhoudt. In dit verband hoorde ik Jan een jaar geleden het woord ‘christidenten’ voor deze kerkverlaters gebruiken. Christidenten verzetten zich tegen de overheersende opvattingen van ‘het’ christendom, maar voelen zich wel nog steeds christen.

Bij mij, aan de andere kant van dit spectrum, zit het wat anders: ik ben seculier opgegroeid. Studie en wetenschap stonden bij mij thuis hoog in het vaandel, de kerk was dat oude gebouw op de hoek van de straat waar je zo fijn op het dak kon keten en God zoiets als Sinterklaas. Desalniettemin ben ik vanaf mijn 27e jaar zeer geïnteresseerd geraakt in religie en spiritualiteit. Het seculiere verhaal bleef weliswaar het meest ware verhaal, maar blijkbaar ook weer niet een compleet bevredigend verhaal. Mijn ervaring van het leven resoneerde niet of in ieder geval niet-volledig met de werkelijkheid zoals de seculiere wereld mij die voorhield. Er ontbrak iets, en begon te zoeken via spiritualiteit en religie.

Als we Jan’s kant van het spectrum in dit verband ‘christidenten’ blijven noemen, dan ben ik een ‘seculident’, een seculier dissident, laat ik ook eens een neologisme construeren. Ik verzet mij tegen een éénzijdig seculier of verlicht wereldbeeld, maar vóel mij wel seculier omdat daar mijn wortels liggen. Het is mijn thuis. Ik voel mij verlegen in de werelden van de religie: wat weet ík daar nu van? Waar de christident een missie ervaart zijn fellow-christenen te wijzen op de beperkingen van een al te simplistisch christelijk wereldbeeld, ervaar ik mijn missie in het verruimen van het wereldbeeld van mijn fellow-seculieren.

Religie heeft voor mij niets te maken met christendom, boeddhisme, islam, hindoeïsme, of noem ze allemaal maar op. Ook niet met meditatie, yoga, tantra, goeroes of zen. En ook niet met theologie. Dat zijn allemaal systemen of vormen die aan de ene kant ongetwijfeld voor veel mensen behulpzaam zijn geweest iets van zin en betekenis in hun leven te ontwaren en aan de andere kant ten doel hadden en hebben grote groepen mensen op de één of andere manier met hun neus dezelfde kant op te krijgen, met wat voor zuivere of onzuivere motieven dan ook.

Op wat religie in positieve zin uitgelegd voor mij als seculident betekent, heb ik al vaak mijn hersenen gekraakt. Uiteindelijk kom ik steeds weer terug bij de constatering dat religie te maken moet hebben met mijn relatie met het leven, in de meest intieme zin. Dr. Rob Pauls vertelde daarover tijdens een zondagochtendlezing bij de Vrije Gemeente, begin dit jaar, dat Meister Eckehart (1260-1327) daar als volgt over sprak: “God duldt geen pottenkijkers in de relatie tussen Hem en de mens. Het is té intiem.”

Als religie voor mij al enige betekenis heeft moet het te maken hebben met de strikt persoonlijke moraal die ik in precies die intimiteit tracht te ontwikkelen. Het is mijn subject dat worstelend en draaiend een levende dialoog zoekt met iets van objectiviteit. Opdat er iets kan ontstaan waarbij niet alleen recht wordt gedaan aan de objectieve wereld om mij heen, maar ook aan de persoon die ik vermoed te zijn.

Als iemand deze intieme gesprekspartner God noemt heb ik daar geen enkel probleem mee. Dat ik dat zelf niet zo snel doe komt waarschijnlijk precies door die seculiere achtergrond van mij: het is mijn taal niet. Ik noem ’t soms evolutie of liever nog het-leven-zelf. Ook het woord Integriteit vind ik op de één of andere manier passend, omdat precies dát de kwaliteit lijkt van de dialoog. Daar dicteert geen boek, maar spreekt het eigen gezonde hart en verstand.

Hé, dat had een zin van een christident kunnen zijn! Is dat misschien de plaats waar onze wijsvingers elkaar zachtjes raken?

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.