Weblog Vrije Gemeente Amsterdam

24 oktober 2007

Thriller van de individuele mystiek: Aurelius Augustinus

Filed under: Alain Sadon — Tags: , , , — Alain Sadon @ 11:56 am

Afgelopen maandag was er bij de Vrije Gemeente de slotavond van de cursus ‘inleiding in de geschiedenis van de mystiek’ gegeven door Rob Pauls, docent van de UvA. Wat een prachtige bijeenkomst. De drie avonden ervoor ging Pauls vragen als ‘wat is mystiek nu eigenlijk?’ steevast uit de weg. Maar door de druk van het publiek moest hij er nu aan geloven.

Hij legde uit dat in de wetenschap mystiek tegenwoordig gezien wordt als iets individueels, dat er geen universele definitie van mystiek te geven is. Dat zijn persoonlijke visie op mystiek dus net zo veel waard is als die van ieder ander en hij die vraag daarom dus steeds aan zich voorbij had laten gegaan. Maar deze bijeenkomst ging hij er toch voor.

Tijdens zijn relaas kwam Augustinus voorbij als ‘misschien wel de grootste mystiek denker’ uit onze christelijke traditie. “De Belijdenissen” werd genoemd als één van zijn bekendste werken, maar juist zijn latere werk werd door Pauls in het bijzonder aanbevolen. Sterker: “De Belijdenissen waren eigenlijk helemaal niet zo interessant”.

Ik herinnerde mij dat ik begin jaren ’90 voor Nieuwe Stemmen, het verenigingsorgaan van de Vrije Gemeente, een boekbespreking had geschreven van De Belijdenissen. Ik ben het weer eens gaan nalezen om mijn geheugen over Augustinus weer wat op te frissen. Om dan snel een later werk van Augustinus op de kop te gaan tikken. Wat ik van mezelf las vond ik eigenlijk nog steeds mooi en zo’n 15 jaar na dato (schokkend genoeg) nog steeds actueel en spannend. Daarom publiceer ik mijn bespreking van deze thriller van de individuele mystiek hier opnieuw.

De absolute keuze

Ik heb een mooie vertaling gelezen van de Belijdenissen van Augustinus en was zeer geraakt door wat ik las. Waardoor ik geraakt was, gaat de historische Augustinus te boven: ik weet weinig van deze persoon en wil er eigenlijk ook maar weinig van weten. Wat mij vooral raakte was het universele en tijdloze van de opdracht waarvoor Augustinus zich in het leven gesteld zag. Het is ongelofelijk te ontdekken dat -ondanks alle revoluties die de mensheid sinds zijn bestaan (354-430 n.C.) inmiddels heeft doorgemaakt- zijn levenstaak identiek lijkt aan die van mij.

De manier waarop hij hierover schrijft leest als een thriller en is ongelofelijk inspirerend. Ik wil via onderhavige bijdrage proberen iets van deze inspiratie over te brengen. Om zo dicht mogelijk bij de bron van de inspiratie te blijven heb ik de voor mij meest aansprekende en cruciale passages uit Augustinus’ Belijdenissen letterlijk overgenomen. Deze passages heb ik vervolgens met elkaar verbonden door een persoonlijke toelichting en interpretatie.

Augustinus kwam in zijn leven op een punt, waar hij zich realiseerde dat hij iets had gezien dat absoluut waar was. Wat hij gezien had was iets heel groots en belangrijks en betrof een totaal andere wereld dan de (intellectuele) wereld waar hij normaal gesproken in verkeerde. Hij schrijft het volgende:

“Zodra ik U leerde kennen, nam U mijn hand omdat U mij iets wilde laten zien. En U hebt mijn zwakke ogen verblind door met uw felle licht te stralen, en ik trilde van liefde en van ontzag. Ik was in een weergaloos land en het was of ik uw stem daar uit den hoge hoorde: Ik ben wie Ik ben. En ik hoorde dat zoals je hoort met je hart, en er was voor mij geen enkele reden meer om te twijfelen. Ik zou eerder aan mijn eigen bestaan getwijfeld hebben dan aan het bestaan van de waarheid die in de schepping te zien en te begrijpen is.”

Hoewel hij enorm was geraakt door deze ervaring en de waarheid ervan blijkbaar niet meer ter discussie stond, was het hem -zoals o.a. uit de volgende passage zal blijken- onduidelijk wat hier nu mee te doen. Aan één kant zag hij de opening naar een leven in waarheid en liefde maar aan de andere kant zag hij zijn persoonlijke en egoïstische verlangens. Omdat -denk ik- zijn integriteit zo groot was kon hij zichzelf niet echt meer voor de gek houden en zag hij zijn zelfgerichtheid sterker dan ooit.  Wat hij zag was zijn luiheid en zijn behoefte tijd te winnen. Tijd die hij voor zichzelf nodig had om de dingen te kunnen doen die in het leven zo plezierig zijn:

“Het ging met mij zoals met iemand die wakker wil worden, maar zich toch weer door de slaap laat overmeesteren. Je wilt niet altijd blijven slapen, maar toch stel je het ogenblik van opstaan uit, en je geniet nog meer van de slaap, tegen je wil in. Zo verging het mij ook. Het leek me beter om op te staan, maar toch bleef ik liggen. Het was beter om me aan uw liefde gewonnen te geven, maar toch bleef ik leven volgens mijn eigen wil en begeerte. Ik wist geen antwoord als U me riep: Word wakker, jij die slaapt, en sta op uit de dood en Christus zal over je lichten. En als U mij op alle mogelijke manieren liet zien dat uw woorden de waarheid zijn, wist ik helemaal geen antwoord meer, want ik was er al van overtuigd. Ik bracht alleen maar wat trage, slaperige woorden uit: Straks, ja straks, laat me nog eventjes met rust. Maar dat ‘straks’ werd niet omgezet in een daad, en dat ‘eventjes’ werd een lange tijd”

Hij realiseert zich dus dat zijn zelfgerichte leven het rechtstreekse resultaat is van zijn eigen keuze zelfgericht te zìjn. Hij ziet ook dat het mogelijk is voor iets anders te kiezen. Hoewel Augustinus dus ziet dat die keuze er ligt, ziet hij ook dat het feitelijk maken van de keuze nog een heel ander verhaal is. Ontroerend is in dit verband de passage waarin hij zichzelf op een gegeven moment ondanks alle weerstand toch over de streep probeert te trekken:

“Ik zei tegen mezelf: Vooruit, nu moet het gebeuren, nu moet het gebeuren! En zo was ik al op de goede weg. Bijna was ik er en toch was ik er niet. Ik viel niet terug, nee, maar ik bleef vlak bij mijn doel staan en haalde diep adem. Ik probeerde het opnieuw en ik kwam dichterbij, nog dichterbij, ja, ja, ik raakte het, ik had het vast, nee, toch niet… Ik bleef aarzelen en het oude slechte had meer macht over me dan het nieuwe goede. Hoe dichter ik kwam bij het ogenblik van de verandering, hoe heviger de angst mij aanjoeg.”

Deze strijd maakt de keuze heel echt. Waar het hier om gaat is niet abstract of ver weg. Hij gaat als het ware voor de spiegel staan, kijkt zichzelf heel diep in de ogen kijken en stelt zichzelf de vraag: wat gaan we in godsnaam met ons leven doen? Wat is nu werkelijk belangrijk en wat werkelijk niet? En hoe meer hij daarbij tot een keuze dreigt te komen, hoe sterker de angst wordt. Dat heeft natuurlijk te maken op de absoluutheid van de keuze: het is het één of het ander. Als er voor het één wordt gekozen is het niet het ander en als er voor het ander wordt gekozen is het niet het één. Er móet iets worden achtergelaten, en dat ‘iets’ kan wel eens heel veel zijn. Augustinus ontloopt de absoluutheid van de keuze waarvoor hij zich geplaatst ziet echter niet. In dit absolute licht wordt het relatieve nu pijnlijk helder:

“Wat me tegenhield, waren de nietigste nietigheden, ijdelheid der ijdelheden, mijn vroegere vriendinnen. Zachtjes trokken ze aan me en ze fluisterden: Als je ons loslaat, ben je ons kwijt, voor altijd, en dan zul je ons altijd moeten missen, altijd. […] Het verleden bleef maar aanhouden en beweren: Denk je dat je dat alles zomaar kunt missen? Ik schaamde me diep dat ik dat gemompel maar bleef aanhoren dat me deed aarzelen. Mijn zielestrijd was alleen een strijd van mezelf tegen mezelf.”

Dan is het moment aangebroken dat de keuze wordt gemaakt. De manier waarop dit gebeurt is echter heel verrassend en mysterieus. Allereerst komt hij op een punt dat hij geen weerstand meer biedt of kan bieden aan het zichzelf diep onder ogen komen. Pijnlijk ziet hij zijn ‘ongerechtigheden’ en probeert ze niet meer te verdedigen of goed te praten.

“Toen alle ellende uit mijn diepste innerlijk boven kwam, brak er een ontzettend onweer los dat een stortvloed van tranen teweeg bracht. Ik ging languit onder een vijgeboom liggen, ik weet niet hoe lang, – en ik liet mijn tranen stromen. Ik begon tegen God te praten, al weet ik de woorden niet meer, maar het was zoiets als: O Heer, hoe lang, hoe lang blijft U tegen me tekeer gaan; vergeef toch mijn ongerechtigheden. Dat zei ik en ik schreide vol bitter berouw.”

Er is iets in hem gebroken. Hij neemt nu volledige verantwoordelijkheid voor alles in zichzelf. Niets blijft namelijk meer onbelicht. De keuze is gemaakt, in dié zin dat hij geen keuze meer lijkt te hebben: alle smoesjes zijn verdwenen en wat er over is is alleen nog de waarheid. Het enige wat hij nu kan doen is dit alles te verdragen.

Wat er vervolgens gebeurt is het mysterieuze: iets neemt het van hem over. De relatieve Augustinus verdwijnt in één klap en wat er overblijft is alleen nog het absolute. In de volgende passage, die in De Belijdenissen onmiddellijk volgt op de voorgaande, is dat fascinerend beschreven:

“Ineens hoorde ik een stem van een jongen of een meisje uit een naburig huis, een stem die zong en steeds herhaalde: Neem en lees! Neem en lees! Eerst dacht ik dat het een regel was uit een kinderversje, maar dan zou ik het wel gekend hebben. Het moest dus een bevel van God zijn, begreep ik. Ik bedwong mijn tranen en nam het boek van de apostel Paulus dat ik bij me had, sloeg het op en las zwijgend het stuk waar mijn ogen het eerst op vielen: Laten wij als bij lichte dag eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd. Maar doe de Here Jezus Christus aan en wijd geen zorg aan het vlees zodat begeerten worden opgewekt. Ik wilde niet verder lezen. Het was al genoeg. Er was bij het lezen een licht bij mij binnen gestroomd en al de duisternis van mijn weifelen en twijfelen vluchtte weg.”

Gebruikte literatuur:

Augustinus, De Belijdenissen. Uitgeversmaatschappij J.H. Kok – Kampen. ISBN 90 242 4318 1. Derde druk 1989.

Blog op WordPress.com.